Eén van de grondbeginselen inzake btw luidt dat een btw-plichtige over de goederen en diensten die hij verwerft, slechts btw mag aftrekken in de mate dat hij deze gebruikt voor zijn aan btw onderworpen activiteiten. Koopt een
btw-plichtige goederen aan voor privédoeleinden, dan mag hij de btw hierover dus niet aftrekken.
Gemengd gebruik
Een bijzonder probleem stelt zich evenwel in verband met goederen die deels beroepsmatig en deels privé worden aangewend (bv. een gebouw waarin een btw-plichtige zowel zijn handelszaak als privéwoning heeft). Ingevolge rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (Arrest Armbrecht), heeft een btw-plichtige in dat geval de mogelijkheid om het goed dat hij in feite ‘gemengd’ gebruikt, integraal toe te wijzen aan zijn bedrijfsvermogen. Door zo te handelen geniet de btw-plichtige een belangrijk voordeel: hij kan de btw over het betreffende goed onmiddellijk en volledig aftrekken en dit terwijl hij het slechts gedeeltelijk voor btw-doeleinden aanwendt.
Indien de btw-plichtige ervoor kiest de btw volledig af te trekken, zal hij echter verplicht zijn zichzelf jaarlijks btw aan te rekenen over het ¬privégebruik van dat goed. Op die manier wordt het voordeel dat bestond in de volledige aftrek van btw, na verloop van jaren tenietgedaan.
Kasvoordeel
Hoewel deze jaarlijkse belasting van het privégebruik in theorie tot hetzelfde resultaat leidt, ontstaat voor de
btw-plichtige een interessant voordeel. Hij hoeft de btw over de aanschaf van het goed immers niet volledig voor te financieren maar dient deze slechts gespreid over meerdere jaren aan de Schatkist af te dragen.
Dit kasvoordeel uit zich voornamelijk bij de verwerving van onroerende goederen vermits de aankoopprijs ervan meestal zeer hoog is, deze vaak gemakkelijk voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt en de economische levensduur in beginsel veel langer is dan die van andere goederen.
In het verleden heeft de fiscus dit kasvoordeel bestreden door te stellen dat het privégebruik van een onroerend goed aangemerkt moet worden als een onroerende verhuur. Aangezien de onroerende verhuur, op enkele uitzonderingen na, vrijgesteld is van btw, diende volgens de redenering van de fiscus de btw-aftrek in de mate van dit privégebruik onmiddellijk beperkt te worden.
Arrest Seeling
Een uitspraak van het Europees Hof van Justitie in 2003 (Arrest Seeling) strooide echter roet in het eten van de fiscus. Het Hof oordeelde dat in geval van gemengd gebruik van een bedrijfsgebouw door een btw-plichtige er geen sprake kon zijn van een vrijgestelde onroerende verhuur. Hierdoor behoorde de onmiddellijke en volledige aftrek van btw over een gebouw dat gemengd gebruikt werd, weer tot de mogelijkheden.
De fiscus verweerde zich echter door te stellen dat het betreffende Seeling-arrest enkel van toepassing was op natuurlijke personen en niet op vennootschappen. Vermits dit kunstmatige onderscheid door een deel van de Belgische rechtspraak niet gevolgd werd, besloot de Belgische wetgever eind 2006 de btw-wetgeving aan te passen.
De wetswijziging bestond erin de jaarlijkse belasting van het privégebruik onmogelijk te maken voor onroerende goederen. Vermits de btw-plichtige niet langer over de mogelijkheid beschikte btw aan te rekenen over zijn privégebruik, meende de fiscus dat op basis hiervan het recht op aftrek van btw over het gedeelte van het privégebruik vanaf het begin geweigerd kon worden. De fiscus gaf echter meteen toe dat, gelet op de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, het debat over deze problematiek nog niet gesloten was.
Einde van de strijd
Om te vermijden dat nieuwe pogingen om btw-plichtigen het kasvoordeel te ontnemen wederom ondergraven zouden worden door uitspraken van het Europees Hof van Justitie, werd door de Europese lidstaten besloten rechtstreeks in te grijpen in de Europese btw-wetgeving. Daartoe werd de Europese btw-richtlijn (2006/112/EG), die de basis vormt van alle nationale btw-wetgevingen, eind vorig jaar aangepast.
Door deze aanpassing hebben de Europese lidstaten niet enkel de mogelijkheid verkregen om de btw-aftrek over gemengd gebruikte onroerende goederen meteen te beperken, zij worden hier vanaf 1 januari 2011 zelfs toe verplicht.
Niet alleen heeft de Belgische overheid haar slag dus uiteindelijk thuisgehaald, ook heeft zij van Europa de mogelijkheid gekregen om de onmiddellijke beperking van het recht op aftrek bij gemengd gebruik uit te breiden tot roerende goederen. Of zij van deze bijkomende mogelijkheid daadwerkelijk gebruik zal maken, moet nog blijken. De vereiste wetswijzigingen zijn immers nog niet bekendgemaakt.
Het kasvoordeel als gevolg van het gemengd gebruik van onroerende goederen, en mogelijkerwijs ook van roerende goederen, is in ieder geval definitief begraven.
Jean-Paul Libert
jean-paul.libert@vhg.be
