Opslagdiensten en btw: de discussie blijft

De vraag waar opslagdiensten plaatsvinden is belangrijk om te weten welke btw van toepassing is. Het administratieve standpunt van begin 2010 zorgt grensoverschrijdend voor interpretatieproblemen en daarom aanvaardt de Minister van Financiën tijdelijk de toepassing van de B2B hoofdregel.

Zoals bekend zijn sinds 1 januari 2010 de regels inzake plaatsbepaling van diensten grondig gewijzigd. Volgens de hoofdregel vinden diensten tussen belastingplichtigen (B2B) plaats waar de afnemer van de diensten is gevestigd. Maar diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed, vinden plaats in het land waar het onroerend goed ligt. De vraag stelt zich dus tot welke categorie de opslagdiensten moeten worden gerekend.

Administratief standpunt
De Belgische btw-administratie beschouwt elke opslagdienst als verbonden met de plaats waar het onroerend goed is gelegen. We verwijzen hiervoor naar de circulaire nr. E.T. 117.619 van 7 januari 2010, die al uitvoerig aan bod kwam in ons kwartaalnummer 2 van april 2010. Opslagdiensten in een in België gelegen opslagruimte zijn dus aan Belgische btw onderworpen, zelfs als de klant in een andere lidstaat is gevestigd.

Hierbij maakt zij geen onderscheid tussen een louter passieve terbeschikkingstelling van opslagruimte en een actieve exploitatie van opslagdiensten (zogenaamde contracten van ‘warehousing’).

Maar niet alle lidstaten volgen die redenering. Volgens sommigen houdt enkel de passieve terbeschikkingstelling van opslagruimte verband met de plaats waar het onroerend goed is gelegen, terwijl warehousingdiensten onder het algemeen plaatsbepalingscriterium in het B2B-segment vallen. Deze visie vindt ook steun in rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

Tijdelijke versoepeling
Recent werd de Minister van Financiën hierover geïnterpelleerd. Geconfronteerd met de grensoverschrijdende interpretatieproblemen die zelfs aanleiding kunnen geven tot dubbele heffing van btw, neemt hij een soepeler standpunt in
(P.V. nr. 486 van de heer  Van Biesen dd. 12 maart 2010).

In eerste instantie verdedigt en bevestigt hij het eerder ingenomen administratieve standpunt, nl. dat zowel de actieve opslag als de passieve terbeschikkingstelling gelokaliseerd moeten worden in het land van de ligging van de opslagruimte. MAAR, omwille van de grensoverschrijdende interpretatieproblemen aanvaardt hij dat opslagdiensten tijdelijk gelokaliseerd worden onder de algemene B2B-regel, dit is op de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd.
En dit in afwachting van een definitief standpunt na Europees overleg.

De Minister maakt weer geen onderscheid tussen de actieve en passieve opslagdiensten. Door deze toegeving mogen Belgische bedrijven die ofwel passief opslagruimte ter beschikking stellen ofwel actief opslagdiensten verlenen aan belastingplichtigen gevestigd in andere lidstaten, dus (minstens tijdelijk) factureren zonder aanrekening van Belgische btw.

Naar ons aanvoelen is het onderscheid echter  wel zinvol. Wordt ongetwijfeld vervolgd …

Hans Philips
hans.philips@vhg.be